Antwoord op vragen van het lid Lodders over het bericht ‘Gaat de Belastingdienst te ver in data-speurtocht?'

04-02-2019

Antwoord van staatssecretaris Snel (Financiën) (ontvangen 1 februari 2019). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nr. 1064.

Vraag 1
Kent u het bericht ‘Gaat de Belastingdienst te ver in data-speurtocht?’(1) ?

Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Herinnert u zich dat u eerder de Belastingdienst te kennen gaf dat de dienst persoonsgegevens niet voor 100% kan beveiligen? (2) Wordt het voor de Belastingdienst nu niet alleen maar moeilijker persoonsgegevens optimaal te beveiligen nu de dienst steeds meer toegang krijgt tot informatie? Zo ja, zijn de eerder toegezegde maatregelen wel voldoende om de bescherming van de persoonsgegevens te garanderen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2
Laat ik vooropstellen dat de Belastingdienst de beveiliging van persoonsgegevens erg serieus neemt. De Belastingdienst beschikt over een specialistische afdeling, het Security Operations Center, dat permanent bewaakt dat niemand van buitenaf onbevoegd toegang krijgt tot de systemen en de gegevens van de Belastingdienst. Ook bij de eigen medewerkers wordt regelmatig aandacht gevraagd voor het zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens.

Echter, voor geen enkele organisatie is het mogelijke een 100%-beveiliging van gegevens te garanderen. Zo kan een medewerker bijvoorbeeld per ongeluk een fout maken bij het verzenden van een poststuk. Beveiliging is in de basis een continu proces van risicomanagement. Op basis van de kans op het optreden van een risico en de impact daarvan voor de burger en de Belastingdienst worden al dan niet maatregelen genomen om de nadelen te beperken.

Een toename van toegang tot gegevens wil overigens niet zeggen dat de Belastingdienst die gegevens ook zelf opslaat; en dus zelf moet beveiligen. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer de Belastingdienst een ‘inkijkfunctie’ heeft op gegevens die bij een andere organisatie zijn opgeslagen. Als de gegevens wel opgeslagen moeten worden, dan geldt ook hier dat op basis van de kans op het optreden en de impact van de risico's maatregelen getroffen worden. De eerder toegezegde maatregelen zien specifiek op een bepaald proces van de afdeling Data en Analytics, namelijk het maken van risicomodellen. De Belastingdienst gebruikt de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst (BIR) als het normenkader voor het inschatten van de risico’s en de te nemen maatregelen.

Vraag 3
Wanneer weegt de privacy van iemand zwaarder dan het recht op informatie van de Belastingdienst? Welke criteria hanteert de Belastingdienst bij het maken van de keuze tot het opvragen van informatie bij nieuwe informatiebronnen?

Antwoord 3
De Belastingdienst beschikt voor de uitvoering van zijn taken op het gebied van heffing en inning, toeslagen en douane over ruime bevoegdheden om informatie op te vragen. Deze bevoegdheden vereisen een zorgvuldige afweging tussen de belangen van de belastingplichtige en de belangen van de Belastingdienst. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden neemt de Belastingdienst de vereisten van het privacyrecht van burgers, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in acht. De Belastingdienst gebruikt gegevens van burgers op grond van een (fiscale) wettelijke bepaling of als dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak die aan de Belastingdienst is opgedragen.

Zo bepaalt de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dat een ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur alle informatie te verstrekken die voor zijn eigen belastingheffing van belang kan zijn. Daarnaast zijn administratieplichtigen respectievelijk overheidsinstanties - kort gezegd - verplicht om informatie te verstrekken die van belang kan zijn voor de belastingheffing (van derden). De wettelijke regelingen voorzien in zogenoemde informatiebevoegdheden van de inspecteur. De bevoegdheden zijn ruim. In beginsel mag alle informatie die mogelijk relevant kan zijn voor de belastingheffing worden opgevraagd, zodat de Belastingdienst de juiste belasting kan heffen. (3)

Daarom is het van groot belang dat er voor de afweging tussen informatiebevoegdheden en het recht op privacy sterke waarborgen gelden. De Belastingdienst hanteert bij het maken van de keuze tot het opvragen van informatie bij nieuwe informatiebronnen, een afweging tussen de belangen van de Belastingdienst c.q. de inspecteur en de belangen van de belastingplichtige, de criteria die volgen uit het privacyrecht, zoals doelbinding, noodzaak en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Vraag 4
Verwacht u dat het niet volledig kunnen garanderen van de privacy voor mensen een reden is om geen Museumkaart te nemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4
Iedere burger heeft recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer (privacy). Inmenging van enig openbaar gezag op dit privacyrecht is alleen toegestaan wanneer de inmenging is voorzien bij wet en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van, onder andere, het economische welzijn van het land. Dit volgt uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het recht op privacy is een grondrecht. In Nederland is dit recht vastgelegd in artikel 10 van de Grondwet.

In het geval van de Museumkaart heeft de inspecteur van de Belastingdienst op basis van fiscale regelgeving verzocht om gegevens van één persoon. Het betreft specifieke casuïstiek. De rechter heeft geoordeeld dat deze inmenging is toegestaan.

Anders dan de vraag lijkt te veronderstellen, gaat het in het geval van de Museumkaart niet om het ‘niet kunnen garanderen van de privacy’, maar om een bij wet toegestane inmenging.

Of deze specifieke casuïstiek voor mensen reden zal zijn om geen Museumkaart te nemen, kan ik niet inschatten.

Vraag 5
Welke signalen heeft de Belastingdienst dat de gebruikersgegevens van de houders van een Museumkaart toereikender zijn dan de gegevens die de Belastingdienst heeft naar aanleiding van de belastingaangifte van mensen?

Antwoord 5
Om de gegevens en inlichtingen die een belastingplichtige verstrekt te controleren, kan het nodig zijn om aanvullende gegevens op te vragen; zogenoemde contra-informatie. Naar mate de Belastingdienst meer twijfel heeft over de door de belastingplichtige verstrekte gegevens is de behoefte aan contra-informatie groter. De gebruikersgegevens van de Museumkaart zijn tot nu toe slechts in één zeer specifiek geval opgevraagd in verband met een woonplaatsonderzoek. Bij een woonplaatsonderzoek is een veelvoud aan factoren nodig om te bepalen of een belastingplichtige in Nederland zijn vaste woonplaats heeft. In dit geval werden de gegevens noodzakelijk geacht voor het te verrichten onderzoek naar de juistheid en volledigheid van een belastingaangifte.

Vraag 6
U schreef eerder dat de informatiepositie van de Belastingdienst nog verder versterkt moet worden (4); hoe ziet u dit in de toekomst gebeuren? Welke rol speelt de ingewonnen informatie met betrekking tot de Museumkaart hierbij? Welke rol ziet u voor andere (nieuwe) informatiebronnen?

Antwoord 6
In de door u aangehaalde brief van 18 september 2018 (5) heb ik de Kamer geïnformeerd over het internationaal fiscaal (verdrags)beleid. Ik heb daarbij aangegeven dat de informatiepositie van de Belastingdienst wordt versterkt om belastingontduiking en belastingontwijking aan te pakken. De bestrijding van belastingontduiking strekt zich uit naar het bestrijden van verhuld vermogen in het buitenland. Het programma ‘verhuld vermogen’ van de Belastingdienst richt zich met name op het detecteren en aanpakken van vermogen dat verhuld is en buiten het zicht van de fiscus wordt gehouden. Bij deze detectie wordt gebruik gemaakt van (vaak massale) gegevensstromen uit een veelheid van informatiebronnen, zoals de toenemende (geautomatiseerde) gegevensstroom vanuit het buitenland (waaronder bankgegevens), gegevens van debet/creditcards, signalen van tipgevers, onderzoeken van externen – bijvoorbeeld Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration, Panama Papers en Paradise Papers - en niet geïdentificeerde bankgegevens over (zogenaamd) niet-ingezetenen. Hierbij wordt samengewerkt met onder meer de Belastingdienst/FIOD, het OM, de politie, de Kamer van Koophandel en belastingdiensten van andere landen. Daarbij kan soms ook een woonplaatsvraagstuk aan de orde zijn, waarvoor nadere informatie uit een andere bron nodig kan zijn.

Het gebruik van een Museumkaart kan als een van de vele bronnen dienen om in individuele casussen de feitelijke woonplaats vast te stellen. Doorgaans is bij deze kwesties, waarbij de woon- of vestigingsplaats een rol speelt, het vermogen al bekend maar gaat het om de vaststelling van de woonplaats teneinde het heffingsrecht te kunnen bepalen.

Met de in de brief van 18 september 2018 genoemde extra investering wordt binnen het programma ‘verhuld vermogen’ van de Belastingdienst een centraal team met specialisten ingericht dat zich voltijds gaat richten op de aanpak van de (meer) complexe constructies en structuren op basis van de voorraad aan informatie en gegevens. Hiervoor worden vanaf januari 2019 nieuwe medewerkers aangetrokken, waaronder data- en informatieanalisten. Met dit centrale team en de aanvulling van nieuwe competenties binnen het programma ‘verhuld vermogen’, is de Belastingdienst beter in staat deze toenemende stroom aan informatie te verwerken, ‘op te werken’ naar dossiers en om te zetten in op te leggen belastingaanslagen, waardoor verhuld vermogen efficiënter en effectiever kan worden aangepakt. Het doel is om ervoor te zorgen dat eenieder zijn eerlijke deel aan belasting betaalt.

Vraag 7
Hoe hoog is het bedrag dat de Belastingdienst afgelopen jaar aan verhuld vermogen heeft opgespoord? Lukt het de Belastingdienst altijd om over dit ontdekte verhuld vermogen toch nog belasting te innen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke winst verwacht de Belastingdienst nog te boeken met de extra 17 miljoen euro die vrijkomt om belastingontduiking tegen te gaan?

Antwoord 7
Naar aanleiding van de detectie van verhuld vermogen heeft de Belastingdienst in 2017 voor ruim 200 miljoen euro belastingaanslagen (belasting + boete + heffingsrente) opgelegd. Het aangeven van het exacte bedrag aan vermogen dat hieraan ten grondslag ligt, is overigens niet eenvoudig. Deze aanslagen zijn namelijk gebaseerd op diverse belastinggrondslagen en kunnen bovendien ook zien op verschillende belastingjaren. Zo kan er sprake zijn van een navordering over één of meer jaren voor box 1, 2 of 3 in de inkomstenbelasting of bijvoorbeeld een aanslag erf- of schenkbelasting. In de meeste gevallen worden de opgelegde aanslagbedragen ook daadwerkelijk geïnd door de Belastingdienst, waarbij de per 1 januari 2019 bij wet ingevoerde invorderingsmaatregelen (6) als een steun in de rug worden beschouwd.

Zoals ik in de eerdergenoemde brief aan de Kamer van 18 september 2018 over intensivering aanpak verhuld vermogen heb aangegeven, zijn de te verwachten opbrengsten die de extra investering van € 17 miljoen gaat opleveren vooraf, maar ook achteraf, moeilijk te duiden. Het is immers niet mogelijk gebleken om hiervoor een businesscase conform de normen van de Algemene Rekenkamer op te stellen, omdat het niet lukt om zowel ex ante als ex post een directe relatie te leggen tussen specifieke investeringen en meer belastingopbrengsten. Indien bijvoorbeeld op basis van een onderzoek wordt vastgesteld dat een belastingplichtige compliant is, wordt geen extra belastingopbrengst genoteerd. Het vaststellen van een correcte naleving is belangrijk en heeft een zelfstandige waarde. Verder is een belangrijke bate gelegen in het maatschappelijk effect en het bevorderen van rechtvaardigheid. Een zichtbare aanpak van verhuld vermogen heeft een preventieve werking en draagt bij aan de verbetering van de naleving (compliance).

Vraag 8
Wilt u de vragen een voor een beantwoorden?

Antwoord 8
Ja.

(1) https://nos.nl/artikel/2259350-gaat-de-belastingdienst-te-ver-in-data-speurtocht.html
(2) https://www.trouw.nl/home/belastingdienst-het-is-technisch-onmogeliik-%20persoonsgegevens-goed-te-beveiligen~a8648a26
(3) Voor de uitzondering op deze hoofdregel zie de arresten van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286 t/m 288, waarin in de zaak van de ANPR-camera’s wordt geoordeeld dat een voldoende precieze wettelijke grondslag nodig is, die in dat specifieke geval ontbrak
(4) Kamerstukken II 2018/19 31 066, nr. 431
(5) Kamerstukken II 2018/19, 31 099, nr. 431
(6) Wijzigingen van de Invorderingswet 1990, opgenomen in het Belastingplan 2019

Klik hier om de Kamervragen in een pdf-bestand te bekijken.

Dit artikel is ook te vinden in het dossier informatiebeveiliging

bron: Rijksoverheid

Van onze partners

Cursus: datalekken en cybersecurity

U wilt weten hoe u het beste data kan beveiligen, maar een datalek is vaak het gevolg van menselijk handelen en daarmee niet volledig te voorkomen. Weten hoe te reageren bij een datalek is dus minstens net zo belangrijk als een goed beleid. Deze cursus leert u voorkomen én genezen.

→ Lees meer

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over privacy, cybersecurity en data. Abonneer op onze gratis nieuwsbrief.

Abonneer