Rechtbank wijst verzoek om zoekresultaten uit Google te verwijderen af

28-03-2018

ECLI:NL:RBLIM:2018:2751

De rechtbank heeft een verzoek jegens Google, om zoekresultaten uit de zoekmachine van de techgigant te laten verwijderen, afgewezen.

In 2017 heeft de eiser (hierna: verzoeker) een verzoek bij Google ingediend om een aantal zoekresultaten uit de zoekmachine te laten verwijderen. Google heeft daaropvolgend laten weten het verzoek niet in te honoreren: het verwijderen van de zoekresultaten zou in dit geval een vorm van censuur zijn en niet in belang van de gebruikers van de zoekmachine.

Het verwijderverzoek heeft betrekking tot artikelen die tussen 2005 en 2012 zijn gepubliceerd op een aantal regionale en landelijke media. De artikelen gaan over het faillissement van een bedrijf dat dezelfde naam droeg als de verzoeker. Vanwege de oorzaak van het faillissement, de afwikkeling ervan en de rol van het bestuur, heeft de zaak veel aandacht gekregen. Het faillissement is daarbij nog altijd niet volledig afgerond en tegen de verzoeker loopt momenteel nog een procedure inzake bestuurdersaansprakelijkheid.

De verzoeker stelt dat hij dagelijks wordt herinnerd aan onjuiste en onnodig grievende berichten van het verleden en daarvan negatieve gevolgen ondervindt. Om hier een einde aan te maken heeft de verzoeker Google voor de rechter gedaagd om de zoekresultaten alsnog uit de zoekmachine te laten verwijderen. De rechtbank sluit zich echter aan bij het verweer van Google.

De informatie die in de artikelen staat heeft volgens de rechtbank enkel betrekking op de rol van de verzoeker als bestuurder en woordvoerder van de failliete onderneming en niet op de verzoeker als privépersoon. Daarnaast ziet de rechtbank in de publicaties die in de zoekresultaten worden getoond een journalistieke rol en het moeilijk vindbaar maken van deze artikelen kan worden geïnterpreteerd als een inperking van de vrijheid van meningsuiting van de originele auteurs. De rechtbank is het tevens met Google eens dat het verwijderen van de zoekresultaten misstanden zou kunnen veroorzaken, daar het de enige publicaties zijn die over het faillissement van de verzoeker informeren.

De verzoeker heeft onvoldoende aangetoond dat de berichtgeving in de artikelen onjuist is. Ook de stelling van de verzoeker dat de artikelen onnodig grievend of kwetsend zijn, wordt door de rechtbank verworpen. De verzoeker is echter vrij om de uitgevers en/of redacteuren van de artikelen op de inhoud aan te spreken.

Ook de belangenafweging, zoals omschreven in de Privacyrichtlijn en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) valt in het voordeel van Google: het recht op privacy en het recht op bescherming van persoonsgegevens van de betrokkene (het recht om te worden vergeten) is niet bedoeld om personen te beschermen tegen alle negatieve berichten op internet, maar tegen het langdurig achtervolgd worden door berichten die irrelevant, disproportioneel of onnodig diffamerend zijn. De rechten van de verzoeker wegen in deze zaak niet op tegen de grondrechten van de internetgebruiker en van de exploitant van de zoekmachine op vrijheid van meningsuiting en het recht op relevante informatievergadering.

Bij de totstandkoming van het oordeel is het veelbesproken Costeja-arrest uit 2014 in acht genomen.

bron: Redactie

Van onze partners

Checklist Privacy AVG

→ Lees meer

Persoonsgegevens in faillissement

→ Lees meer

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over privacy, cybersecurity en data. Abonneer op onze gratis nieuwsbrief.

Abonneer