Privacy First verliest kort geding over UBO-register

18-03-2021

ECLI:NL:RBDHA:2021:2457

De rechtbank in Den Haag heeft vandaag (18 maart) de vordering van Privacy First met betrekking tot het UBO-register afgewezen. De rechter oordeelt dat er geen grond bestaat voor (voorlopige) buitenwerkingstelling van de Nederlandse wetgeving met betrekking tot de verplichte registratie van persoonsgegevens van Ultimate Beneficial Owners (UBO’s) in het UBO-register en de daarin geregelde (deels) openbare toegankelijkheid.

Privacy First stelde dat de Uniewetgever met de vierde en vijfde anti-witwasrichtlijn (AMLD4 en AMLD5) inbreuk maakt op de Europeesrechtelijk gewaarborgde grondrechten van UBO’s op bescherming van hun privacy en persoonsgegevens. Volgens Privacy First zal het Hof van Justitie van de EU (HvJEU) tot het oordeel komen dat deze schending niet proportioneel is ten opzichte van het te bereiken doel.

De Haagse rechter gaat hier niet in mee. Er bestaat onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de effectiviteit van het UBO-register bij het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering middels het financiële stelsel (ook als ervan uit moet worden gegaan dat de daarin opgenomen informatie niet (deels) openbaar toegankelijk mag zijn). De rechter betwijfelt ook de stelling van Privacy First dat er een aanzienlijke kans bestaat dat de afgeschermde aanvullende gegevens door datalekken en/of de op handen zijnde koppeling van Europese UBO-registers op straat zullen komen te liggen.

Tevens stelde de rechter dat er geen grond is voor het stellen van prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van AMLD4 en AMDL5 met Europeesrechtelijk gewaarborgde grondrechten. De voorzieningsrechter kent een groot gewicht toe aan het kritische advies van de European Data Protection Supervisor van 18 maart 2017 met betrekking tot de destijds voorgenomen wijzigingen van AMLD4 en zegt toe dat het niet op voorhand uit valt te sluiten dat het HvJEU tot de conclusie zal komen dat het (deels) openbare karakter van het UBO-register zich niet verhoudt met het evenredigheidsbeginsel.

Echter gaat de voorzieningsrechter niet over tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Europese rechter, aangezien het Tribunal d’arrondissement in Luxemburg op 13 november 2020 al vragen op dit punt aan het HvJEU heeft gesteld. De vragen komen grotendeels overeen met de vragen in de huidige zaak, en Privacy First heeft volgens de rechter niet inzichtelijk gemaakt hoe haar belangen ermee zijn gediend als dezelfde vragen door de Nederlandse rechter voor worden gelegd aan het HvJEU. Ook stelt de rechter dat het aanhouden van dit kortgeding in afwachting van de beantwoording van die prejudiciële vragen door het HvJEU zich niet verhoudt met de aard en het karakter van de kortgedingprocedure, onder meer vanwege de duur van de prejudiciële procedure.

De advocaat van Privacy First, Otto Volgenant van Boekx Advocaten: ‘Door het UBO-register komen privacygevoelige gegevens van miljoenen mensen op straat te liggen. Van alle kanten wordt betwijfeld of dat wel een effectief middel is in de strijd tegen witwassen en terrorisme. Het is met een kanon op een mug schieten. De hoogste Europese rechter, het Hof van Justitie van de EU, zal hier uiteindelijk over oordelen. Ik verwacht dat die een streep door het UBO-register zet.’


bron: Redactie Privacyweb

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over privacy, cybersecurity en data. Abonneer op onze gratis nieuwsbrief.

Abonneer