HvJEU: Telecombedrijven moeten de locatiegegevens over de beller kosteloos verstrekken aan de instantie die de noodoproepen naar '112' beheer

09-09-2019

C-417/19

AW e.a. zijn naasten van ES, een 17-jarig meisje dat het slachtoffer is geworden van een misdrijf. Op 21 september 2013, rond 6 uur ’s morgens, is ES in een buitenwijk van Panevėžys (Litouwen) ontvoerd, verkracht en levend verbrand in de kofferbak van een auto. Terwijl zij daar was opgesloten, heeft zij ongeveer tien keer met een mobiele telefoon het uniforme Europese alarmnummer '112' gebeld om hulp te vragen. Het nummer van de gebruikte mobiele telefoon verscheen echter niet op de apparatuur van de alarmcentrale, waardoor niet kon worden bepaald waar zij was. Men heeft niet kunnen vaststellen of de door ES gebruikte mobiele telefoon een simkaart bevatte en evenmin waarom haar nummer niet zichtbaar was bij de alarmcentrale.

AW e.a. hebben bij de Vilniaus apygardos administracinis teismas (bestuursrechter in eerste aanleg Vilnius, Litouwen) beroep ingesteld tot veroordeling van de Litouwse staat tot vergoeding van de immateriële schade die het slachtoffer, ES, en zijzelf hebben geleden. Tot staving van hun beroep voeren zij aan dat Litouwen niet heeft verzekerd dat de universeledienstrichtlijn in de praktijk juist wordt uitgevoerd.[1] Volgens deze richtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de telecombedrijven de locatiegegevens over de beller kosteloos beschikbaar stellen aan de instantie die de noodoproepen naar '112' beheert, zodra deze instantie de oproep ontvangt.[2] Deze regel geldt voor alle oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer '112'. Deze nalatigheid heeft ertoe geleid dat de locatiegegevens over ES niet konden worden doorgegeven aan de politiediensten in het veld, waardoor zij haar niet ter hulp konden snellen.

De Vilniaus apygardos administracinis teismas vraagt het Hof van Justitie of de richtlijn de lidstaten verplicht ervoor te zorgen dat deze gegevens beschikbaar zijn, ook wanneer de oproep afkomstig is van een mobiele telefoon die geen simkaart bevat, en of de lidstaten een beoordelingsmarge hebben bij de vaststelling van de criteria voor de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de locatiegegevens over de beller naar '112', die hun toestaat deze criteria te beperken tot de identificatie van het basisstation via hetwelk de oproep werd verzonden.

In zijn arrest van vandaag herinnert het Hof eraan dat uit de bewoordingen van de richtlijn blijkt dat de verplichting om locatiegegevens over de beller beschikbaar te stellen geldt voor „alle oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer”. Bovendien heeft het Hof reeds geoordeeld dat de richtlijn in haar oorspronkelijke versie de lidstaten, voor zover een en ander technisch haalbaar is, een resultaatsverbintenis oplegde, die niet beperkt is tot het opzetten van een passend regelgevend kader, maar inhoudt dat de gegevens over de locatie van eenieder die '112' belt, daadwerkelijk naar de hulpdiensten worden doorgezonden. Oproepen naar '112' afkomstig van een mobiele telefoon die geen simkaart bevat, kunnen dus niet worden uitgesloten van de werkingssfeer van de richtlijn.

Het Hof oordeelt bijgevolg dat de richtlijn de lidstaten verplicht, voor zover dit technisch haalbaar is, ervoor te zorgen dat de betrokken ondernemingen locatiegegevens over de beller kosteloos beschikbaar stellen aan de instantie die noodhulpoproepen naar '112' beheert zodra deze instantie de oproep ontvangt, ook al is deze oproep afkomstig van een mobiele telefoon die geen simkaart bevat.

Vervolgens stelt het Hof vast dat de lidstaten weliswaar over een zekere beoordelingsmarge beschikken bij de vaststelling van de criteria voor de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van de locatiegegevens over de beller naar '112', maar dat deze criteria er in ieder geval voor moeten zorgen dat, voor zover dit technisch haalbaar is, de locatie van de beller zo betrouwbaar en nauwkeurig wordt bepaald als nodig is om de hulpdiensten in staat te stellen hem nuttige bijstand te verlenen. De beoordelingsmarge van de lidstaten bij het vaststellen van deze criteria wordt bijgevolg beperkt door de noodzaak ervoor te zorgen dat de verstrekte gegevens de daadwerkelijke plaatsbepaling van de beller, en dus de interventie van de hulpdiensten, mogelijk maken. Aangezien een dergelijke beoordeling buitengewoon technisch van aard is en nauw verband houdt met de specifieke kenmerken van het Litouwse mobiele telecommunicatienetwerk, is het aan de verwijzende rechter om deze beoordeling te maken.

Ten slotte merkt het Hof op dat een van de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van een lidstaat voor schade die particulieren lijden ten gevolge van aan hem toerekenbare schendingen van het Unierecht, is dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de schending van dit recht en de door deze particulieren geleden schade. De door de nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding vastgestelde voorwaarden mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden.

Wanneer volgens het nationale recht van een lidstaat het bestaan van een indirect causaal verband tussen een door de nationale autoriteiten begane onrechtmatigheid en de door een particulier geleden schade volstaat voor de aansprakelijkheid van de staat, moet een dergelijk indirect causaal verband tussen een aan deze lidstaat toerekenbare schending van het Unierecht en de door een particulier geleden schade bijgevolg ook volstaan voor de aansprakelijkheid van deze lidstaat voor deze schending van het Unierecht.

[1] Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB 2002, L 108, blz. 51), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 11).

[2] Artikel 26, lid 5


bron: HvJEU

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over privacy, cybersecurity en data. Abonneer op onze gratis nieuwsbrief.

Abonneer