Het correctierecht en de procedure om persoonsgegevens te wijzigen in de Basisregistratie Personen

18-02-2020

ECLI:NL:RVS:2020:380

Op 5 februari 2020 deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een uitspraak over het recht op correctie van persoonsgegevens.

In de kwestie waarover de Afdeling oordeelde had iemand verzocht om wijziging van zijn persoonsgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP). Zijn verzoek zag op bijna alle persoonsgegevens van hem die in het BRP zijn opgenomen (onder meer zijn naam, zijn geboortedatum en zijn geboorteplaats). Om te bewijzen dat de op dat moment in de BRP vastgelegde gegevens onjuist waren, verstrekte hij onder meer een (i) Chinees paspoort, (ii) een notarieel certificaat van zijn geboorte en (iii) een DNA-onderzoekrapport.

Dit zijn natuurlijk relevante bewijsstukken, maar de betrokkene nam tijdens de procedure verschillende standpunten in over de PSB-verklaring (dit is een verklaring van het Public Security Bureau dat geboortegegevens bijhoudt) waarop zijn notariële certificaat was gebaseerd en verstrekte die PSB-verklaring niet. Het bevoegd gezag, het College van B&W van de Gemeente Ede (College), was dan ook niet overtuigd door deze bewijsstukken en stelde dat daarmee niet was komen vast te staan dat de betrokkene dezelfde persoon is als de persoon die staat ingeschreven in de BRP. Het College wijst het correctieverzoek om die reden af.

Welke regels zijn hierop van toepassing?

Aan de inschrijving in de BRP zijn, logischerwijs, regels verbonden. Overheden en anderen moeten erop kunnen vertrouwen dat de in de BRP vastgelegde gegevens betrouwbaar zijn. Die regels volgen (onder meer) uit de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) en het besluit basisregistratie personen. Daarnaast is in dit kader de circulaire legalisatie en verificatie buitenlandse bewijsstukken’ (Circulaire) van belang. Daaruit volgt aan welke vereisten buitenlandse documenten moeten voldoen om als ‘bewijsstuk’ voor het inschrijven van bepaalde gegevens aangemerkt te worden.

Naast de regels uit de Wet BRP zijn ook de regels uit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op de verwerking van persoonsgegevens in de BRP van toepassing.

In deze kwestie was voornamelijk artikel 16 van de AVG aan de orde, waaruit volgt dat betrokkenen (individuen wiens persoonsgegevens worden verwerkt) het recht hebben op correctie van die persoonsgegevens als deze onjuist zijn. Uit artikel 2.58 van de Wet BRP volgt dat een correctieverzoek op de voet van de AVG de wijzigingen moet bevatten waar om wordt gevraagd. Een correctieverzoek kan dus niet alleen bestaan uit de vraag om persoonsgegevens te wijzigen, maar moet ook de gegevens bevatten die zouden moeten worden ingevoerd en de bewijsstukken waaruit de juistheid van die gegevens blijkt (en waaruit dus volgt dat de op dat moment in de BRP opgenomen gegevens onjuist zijn).

Hoe worden deze regels in dit geval toegepast?

Het College neemt het correctieverzoek van de betrokkene in behandeling, maar komt al snel tot de conclusie dat de wijzigingen die hij doorgeeft niet kunnen worden ingevoerd in de BRP, omdat de daarvoor benodigde bewijsstukken ontbreken. Hoewel de betrokkene behoorlijk serieuze bewijsstukken heeft aangeleverd, voldoen deze niet (volledig) aan de regels voor bewijsstukken die op grond van de Wet BRP en de Circulaire gelden. De Afdeling sluit zich bij dit oordeel aan en houdt daarmee vast aan de ‘strenge lijn’ die volgt uit haar eerdere rechtspraak (zie hierover de uitspraak van de Afdeling d.d. 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:232).

Het is begrijpelijk dat er strenge eisen worden gesteld aan de bewijsstukken voor de inschrijving in de BRP. Die gegevens moeten bij uitstek betrouwbaar, duidelijk en volledig zijn. Toch kunnen vraagtekens worden geplaatst bij het resultaat waartoe de toepassing van die eisen kan leiden, omdat de mogelijkheden om persoonsgegevens te corrigeren daardoor sterk kunnen worden beperkt.

Hoewel de betrokkene er in de onderhavige situatie inderdaad ‘een potje van maakt’, door verschillende standpunten in te nemen en daarnaast de documenten die ten grondslag liggen aan zijn bewijsstukken niet te verstrekken, zijn er situaties denkbaar waarin het niet goed mogelijk is om aan de strenge eisen voor rectificatie te voldoen, terwijl de ingeschreven persoonsgegevens toch echt onjuist zijn.

Het is nog maar de vraag of de toepassing van deze vergaande eisen voor correctie van persoonsgegevens in de BRP strookt met de regels en beginselen uit de AVG. Uit de AVG volgt namelijk dat betrokkene onverwijld recht heeft op rectificatie van hem of haar betreffende onjuiste persoonsgegevens. Dit correctierecht kan worden beperkt in de situaties die genoemd staan in artikel 23 AVG jo. artikel 41 van de UAVG. Het ligt voor de hand dat het stellen van eisen aan een inschrijving in de BRP op zichzelf onder die uitzonderingen valt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de uitzondering dat deze beperking noodzakelijk is voor de openbare veiligheid (daarvoor is het immers van belang om iemands identiteit op betrouwbare wijze vast te kunnen stellen en dat de gegevens in de BRP niet zonder meer kunnen worden gewijzigd). Het is de vraag of de (zeer vergaande) eisen uit het systeem van de Wet BRP om gewijzigde gegevens in te schrijven onder die uitzondering zou moeten vallen.

Hoe nu verder?

Gelet op het voorgaande hoeft het College de persoonsgegevens van de betrokkene niet op basis van de overgelegde bewijsstukken te wijzigen. Die bewijsstukken leiden wel tot de vraag of het College zich niet op zijn minst zou moeten afvragen of de gegevens die momenteel in de BRP zijn opgenomen, mogelijk (ook) niet de juiste gegevens zijn.

Zou het College van B&W niet wat meer moeten doen om te achterhalen welke gegevens in dit geval de juiste zijn? Uit de AVG volgt namelijk dat ‘alle redelijke maatregelen’ moeten worden genomen om persoonsgegevens die onjuist zijn onverwijld te rectificeren. Hoewel de Afdeling in eerdere rechtspraak wel oordeelde dat nader onderzoek nodig was (zie hierover de uitspraak van de Afdeling d.d. 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1584), laat de Afdeling zich daarover in dit geval niet over uit. Toch is het in de onderhavige situatie moeilijk voor te stellen dat het College naar aanleiding van de door betrokkene overgelegde bewijsstukken geen actie zou hoeven ondernemen om de juistheid van de gegevens te achterhalen. Het achterwege laten van enig verder onderzoek zou de betrouwbaarheid van het BRP niet ten goede komen.


Zie meer: Loyens & Loeff

bron: Loyens en Loeff

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws over privacy, cybersecurity en data. Abonneer op onze gratis nieuwsbrief.

Abonneer